Een kamer vol mensen. En toch was ik alleen.
Over emotionele verwaarlozing, het kleine meisje in mij en de eenzaamheid die meegroeide
Ik kom uit een groot gezin. Er waren mensen. Er was familie. Er was beweging, geluid, een dagelijks leven dat gewoon doorging.
En toch is het gevoel dat het sterkst uit mijn kindertijd is blijven hangen dit: ik ben alleen.
Ik heb het zo vaak proberen uit te leggen aan psychologen en therapeuten. Beeld je een kindje in van twee of drie jaar. Ze staat in een ruimte vol mensen. Iedereen is er, maar niemand kijkt naar haar. Niemand merkt op hoe verloren ze zich voelt. Niemand komt even bij haar zitten en vraagt wat ze nodig heeft. Ze is niet letterlijk achtergelaten in een lege kamer. Ze staat midden tussen de anderen. En toch staat ze daar helemaal alleen.
Dat beeld draag ik al heel lang bij me. Ik kan niet zeggen dat het een exacte herinnering is aan een bepaald moment. Ik weet niet of er ooit één kamer was die er precies zo uitzag. Het is het beeld dat voor mij het dichtst komt bij hoe mijn jeugd voelde.
Er was eten. Er waren kleren. Ik werd verzorgd op manieren die je kon zien. Maar wat had dat kleine meisje nodig dat je niet kon vastpakken of op een boodschappenlijstje kon zetten? Iemand die haar opmerkte. Die zag wanneer ze schrok. Die bleef wanneer ze verdrietig was. Die haar leerde dat haar gevoelens ergens naartoe mochten. Dat er voor haar een plek was, niet alleen aan tafel, maar ook in iemands aandacht.
Voor wat daar ontbrak, heb ik pas veel later woorden gevonden: emotionele verwaarlozing.
Ik schrijf dat niet om met één woord mijn hele jeugd samen te vatten. En ook niet om te doen alsof ik elk detail ken. Ik schrijf het omdat dit woord eindelijk raakt aan een gemis dat ik heel lang niet kon uitleggen. Hoe kun je immers vertellen wat er niet gebeurde? Hoe bewijs je de afwezigheid van een blik, een vraag, een arm, een zachte reactie op het juiste moment?
Misschien hoeft mijn verhaal niet te beginnen met bewijs. Misschien mag het beginnen met wat ik zo lang heb gevoeld.
Ik stond tussen mensen. Ik voelde me alleen. En dat gevoel is niet in die kamer gebleven.
Wat niemand zag
Wanneer mensen aan een moeilijke kindertijd denken, zoeken ze vaak naar iets dat zichtbaar gebeurde. Een ruzie. Een uitbarsting. Een scène waar je achteraf een duidelijke datum op kunt zetten. Maar sommige pijn zit in een lange reeks gewone dagen. Een kind komt thuis en niemand vraagt hoe het écht gaat. Ze is bang en niemand merkt het op. Ze lacht, dus iedereen denkt dat het goed gaat. Ze trekt zich terug en niemand komt kijken waarom.
Het gaat niet om die ene keer dat een ouder moe was of een vraag miste. Elke ouder mist weleens iets. Het gaat om het terugkerende gevoel dat je met je binnenwereld nergens terechtkunt.
Een kind kan verzorgd worden en tegelijk emotioneel alleen zijn. Dat klinkt voor sommige mensen tegenstrijdig. Zeker wanneer ze van buitenaf een groot gezin zien. Dan denken ze: daar was toch altijd iemand? Maar de hoeveelheid mensen zegt niet hoeveel echte nabijheid een kind ervaart.
Voor een kind is het verschil tussen er is iemand in huis en er is iemand voor mij enorm.
Ik denk soms aan alles wat we bij kinderen meteen kunnen zien. Een geschaafde knie. Een jas die te klein is. Een brooddoos die leeg is. Voor die dingen bestaat een handeling. Je plakt een pleister, koopt een jas, maakt eten klaar. Maar wat als een kind zich onzichtbaar voelt? Wat als ze niet weet hoe ze om aandacht moet vragen, omdat aandacht nooit vanzelfsprekend was? Wat als ze zelfs niet meer verwacht dat iemand haar zal opmerken?
Dan groeit ze misschien op zonder woorden voor haar gemis. Ze kan niet zeggen: ik mis emotionele afstemming. Ze kan hoogstens voelen dat iets niet klopt. Dat ze zich klein maakt. Dat ze zichzelf bezighoudt. Dat ze niets wil vragen. Dat ze geen last wil zijn.
Ik weet niet welke gedachten ik als driejarige letterlijk had. Dat zou ik verzinnen als ik ze nu woord voor woord opschreef. Maar als volwassene kan ik wel woorden geven aan een ervaring die in mij is blijven leven: ik sta er alleen voor. Ik kan beter niet te veel nodig hebben. Niemand komt vanzelf.
Dat zijn geen zinnen die ik als feit aan dat kind opleg. Het zijn woorden die passen bij hoe mijn lichaam en mijn relaties later zijn gaan aanvoelen.
En het pijnlijke is: als niemand vraagt hoe het met je gaat, leer je vaak niet alleen zwijgen tegenover anderen. Je kunt ook het contact met je eigen behoefte verliezen. Je weet op een gegeven moment niet meer: ben ik verdrietig? Ben ik bang? Heb ik rust nodig? Wil ik dat iemand blijft? Het wordt één groot, vaag gevoel van spanning of leegte. Je functioneert. Je doet wat er van je verwacht wordt. Maar ergens binnenin blijft dat meisje staan.
Waarom herinner ik mij zo weinig?
Ik heb bijna geen herinneringen aan mijn kindertijd vóór mijn twaalfde, dertiende of zelfs veertiende. Dat vind ik moeilijk. Niet alleen omdat ik bepaalde beelden kwijt ben, maar ook omdat ik mezelf daardoor vragen stel. Hoe kan een gevoel zo groot zijn, terwijl de bijbehorende scènes ontbreken? Waar begint mijn verhaal als ik de eerste hoofdstukken niet helder kan terughalen?
Ik zou graag een eenvoudig antwoord geven. Ik zou graag kunnen zeggen: dit is de reden, en daarmee is alles verklaard. Maar zo werkt geheugen niet. Mensen verschillen in hoeveel zij zich uit hun jeugd herinneren. Langdurige stress of dissociatie kunnen invloed hebben op hoe ervaringen worden opgeslagen en toegankelijk blijven, maar lege stukken bewijzen op zichzelf niets over precies wat er is gebeurd.
Dat onderscheid is voor mij belangrijk, juist omdat het mijn verhaal is. Ik wil mijn gaten niet vullen met beelden die ik niet heb. Ik hoef mezelf geen herinnering aan te praten om ernstig te mogen nemen wat ik vandaag voel.
Wat ik wél kan vertellen, is dat ik al heel lang hetzelfde beeld en hetzelfde gevoel heb. Een klein kind in een volle ruimte. Alleen. Ik kan vertellen dat ik mij ook later, tussen mensen, vaak niet echt ergens bij voelde horen. En ik kan vertellen wat er nu gebeurt wanneer ik in therapie dichter bij die pijn kom.
Mijn eerste herinnering is misschien geen herinnering in de gebruikelijke zin. Het is een gevoel dat zich telkens opnieuw meldt: ik ben alleen.
Dat is een moeilijke zin om op te schrijven. Omdat er mensen kunnen zijn die zeggen: maar wij waren er toch? Omdat aanwezigheid op een foto er heel anders uitziet dan eenzaamheid vanbinnen. Omdat ik niet wil dat iemand van mijn ervaring een rechtbank maakt waarin ik elk gevoel eerst moet bewijzen.
Ik vraag niet of iedereen mijn verleden precies hetzelfde ziet. Ik probeer te begrijpen waarom iets in mij zo lang heeft gevoeld alsof er niemand was die het kon dragen. Ik mag daarbij eerlijk zijn over wat ik weet én over wat ik niet weet.
Soms wou ik dat ik gewoon een stapel foto’s in mijn hoofd had. Een duidelijk begin, een middendeel en een einde. Maar een leven is geen film die je op verzoek kunt terugspoelen. Misschien begint mijn boek juist hier: bij iemand die de beelden niet heeft en toch niet langer wil doen alsof het gevoel onbelangrijk is.
Alleen tussen mensen
Ik ken het gevoel dat je aan een tafel zit met anderen en toch nergens landt. Je hoort gesprekken. Je zegt iets terug. Misschien lach je zelfs. Maar onder dat alles loopt een andere vraag: ben ik hier werkelijk welkom? Ben ik er als mezelf, of alleen zolang ik me aanpas?
Dat kan van buitenaf nauwelijks zichtbaar zijn. Iemand kan mij sociaal, warm, behulpzaam of sterk vinden. Ondertussen kan ik me afvragen of iemand mij eigenlijk kent. Of iemand zou merken als ik stil werd. Of er ruimte zou blijven als ik een keer niet de gezellige, begrijpende of meegaande versie van mezelf ben.
Ik zeg niet dat elk moment waarop ik me buitengesloten voel, betekent dat iemand mij daadwerkelijk buitensluit. Soms gebeurt er iets in het heden. Iemand stelt geen vraag, vergeet me uit te nodigen, reageert kortaf of draait zich weg. Dat kan pijn doen, en soms is het ook gewoon pijnlijk gedrag. Maar er kan tegelijk een oudere laag geraakt worden, waardoor het moment groter voelt dan de gebeurtenis alleen.
Een niet beantwoorde vraag wordt dan: zie je, ik ben weer niet belangrijk. Een gesprek waarin ik niet aan bod kom, voelt ineens als die volle kamer. Een groep waarin iedereen elkaar lijkt te kennen, zet me terug op die plek aan de rand.
En soms zijn mensen wél vriendelijk. Soms nodigen ze me wél uit. Toch kan het gevoel blijven dat ik er niet echt bij hoor. Dat is misschien het verwarrendste. Je kunt jezelf zeggen dat er objectief niets misgaat. Je kunt proberen te genieten. Maar je lichaam doet niet meteen mee met die redenering.
Ik wil dat niet romantiseren. Het is vermoeiend. Het kan een avond overschaduwen die eigenlijk fijn had kunnen zijn. Het kan maken dat ik mezelf voortdurend observeer: praat ik te veel, te weinig, ben ik te gevoelig, ben ik lastig, had ik iets anders moeten zeggen? In plaats van mee te doen, ben ik bezig mijn plek veilig te stellen.
Dat voortdurende zoeken naar je plek lijkt misschien op onzekerheid. Voor mij raakt het aan iets diepers: hoe vind je rust in nabijheid als nabijheid vroeger niet vanzelf betekende dat iemand jou zag?
Wat je leert zonder dat iemand het uitlegt
Kinderen leren veel zonder dat er ooit een les wordt gegeven. Ze leren aan gezichten of hun verdriet welkom is. Aan stilte of hun vragen te veel zijn. Aan de manier waarop volwassenen reageren of het veilig is om te zeggen: ik wil dit niet. Ze leren of iemand terugkomt wanneer ze zich terugtrekken.
Ik ben voorzichtig met grote uitspraken over wat alle kinderen uit emotionele verwaarlozing meenemen. Niet iedereen reageert hetzelfde. Er zijn verschillende persoonlijkheden, andere relaties, latere ervaringen en mensen die onderweg alsnog steun geven. Maar ik herken bij mezelf iets van een kind dat haar behoefte kleiner maakte omdat ze niet wist waar ze ermee naartoe kon.
Als je weinig verwacht, valt er misschien minder tegen. Als je zelf de sfeer aanvoelt, kun je problemen vóór zijn. Als je snel begrijpt wat een ander nodig heeft, blijf je misschien dicht genoeg in de buurt. Als je maar niet te veel vraagt, word je misschien niet afgewezen.
Het zijn manieren om met je omgeving om te gaan. Sommige hebben mij lang geholpen. Ik kan mensen goed aanvoelen. Ik kan zelfstandig zijn. Ik kan doorgaan terwijl er veel speelt. Maar dezelfde manieren kunnen mij ook uitputten. Want wanneer let ik op mezelf? Wanneer hoef ik niet sterk te zijn? Wanneer mag iemand iets voor mij doen zonder dat ik me schuldig voel?
Wat in je jeugd hielp om de dag door te komen, kan later in een vriendschap of relatie gaan knellen. Je hebt aandacht nodig, maar durft er niet om te vragen. Je wilt dat iemand dichtbij komt, maar schrikt wanneer die persoon dat doet. Je wilt gekozen worden, maar je vertrouwt het niet helemaal als iemand je kiest. Je wilt uitrusten, maar voelt je pas veilig als je nuttig bent.
Dat klinkt misschien tegenstrijdig. Voor iemand die dit herkent, voelt het vaak heel logisch. Er zijn twee verlangens tegelijk: zie mij alsjeblieft en kom alsjeblieft niet te dichtbij. Als aandacht vroeger ontbrak of onvoorspelbaar voelde, kan aandacht later zowel iets zijn waarnaar je verlangt als iets dat spanning oproept.
Ik kan me voorstellen dat iemand van buiten zegt: beslis nu eens wat je wilt. Maar het gaat niet om besluiteloosheid. Het gaat om een deel van mij dat verbinding zoekt en een ander deel dat mij al heel lang op afstand probeert te beschermen.
Tien dingen die je misschien herkent
Dit is geen test. Als je drie van deze dingen herkent, zegt dat niets met zekerheid over jouw jeugd. En als je je in alle tien herkent, hoef je jezelf ook niet onmiddellijk een etiket te geven. Het zijn manieren waarop gemis aan emotionele aandacht kan doorwerken. Sommige horen bij andere ervaringen. Ik deel ze omdat een mens zichzelf soms pas begrijpt wanneer iemand onder woorden brengt wat altijd zo normaal leek.
1. Je voelt je alleen terwijl je met mensen bent. Niet per se elke keer. Maar zelfs in een groep waar gelachen wordt, kan het lijken alsof er een glazen wand tussen jou en de rest staat. Je bent erbij en toch ben je niet helemaal aangekomen.
2. Je hebt snel het gevoel dat je nergens echt bij hoort. Je kunt welkom zijn en toch zoeken naar het moment waarop blijkt dat je eigenlijk aan de rand staat. Een kleine verandering in de sfeer kan dan veel met je doen.
3. Je vindt het moeilijk om te zeggen wat je nodig hebt. Soms omdat je bang bent dat het te veel is. Soms omdat je de woorden werkelijk niet hebt. Je merkt pas achteraf dat je al uren gespannen, moe of verdrietig was.
4. Je kunt veel voor anderen betekenen, maar hulp ontvangen voelt ongemakkelijk. Geven heeft een duidelijke vorm. Iemand opvangen, luisteren, regelen. Ontvangen vraagt dat jij zichtbaar wordt in iets wat je nodig hebt, en dat kan kwetsbaar voelen.
5. Je past je snel aan. Je voelt de stemming, schat in wat er verwacht wordt en beweegt mee. Niet omdat je geen mening hebt, maar omdat meebewegen ooit de veiligste manier kon lijken om contact te houden.
6. Je bent scherp op kleine signalen van afstand. Een kort bericht, een andere blik of iemand die geen vraag terugstelt kan veel losmaken. Soms zie je scherp wat er echt gebeurt. Soms raakt het ook iets ouds dat nog in je leeft.
7. Je verlangt naar troost en duwt die tegelijk weg. Iemand wil je aanraken, omhelzen of vragen hoe het gaat, en alles in je zegt: nee. Zelfs wanneer je op een ander moment zou wensen dat iemand je zag.
8. Je voelt verdriet, maar kunt er niet zomaar bij. Je wilt misschien huilen en het lukt niet. Of er komen een paar tranen en daarna gaat er weer iets dicht. Tranen zijn geen maatstaf voor de ernst van je pijn.
9. Je denkt snel dat jij te veel of juist niet genoeg bent. Je maakt jezelf kleiner, legt je woorden achteraf nog eens onder een vergrootglas en vraagt je af of er plek voor jou is zoals je werkelijk bent.
10. Je bent sterk geworden op een manier die ook eenzaam is. Mensen zien dat je redt wat er te redden valt. Ze zien niet altijd hoeveel moeite het je kost om iemand toe te laten wanneer jij het zelf moeilijk hebt.
Ik herken er veel van. Ik wil er tegelijk bij zeggen: herkenning is een begin van een gesprek, geen diagnose. Het belangrijkste is misschien niet hoeveel punten je kunt afvinken, maar welke zin iets in je raakt en wat je daarover met zachtheid kunt onderzoeken.
Het deken dat terugkwam
Ik loop al een jaar, misschien anderhalf jaar, rond met verdriet. Het is alsof er een zwaar deken over mij hangt. Niet iets wat ik ’s morgens uitkies en ’s avonds even kan wegleggen. Het is er wanneer ik opsta. Het gaat met me mee wanneer ik werk, praat en de gewone dingen doe.
Een tijdlang werd dat deken lichter. Het voelde eerder als een sluier. Ik merkte het verschil en was blij dat er wat ruimte kwam. Nu ik in schematherapie dichter bij mijn kern kom, wordt die sluier soms weer een deken. Ik voel meer van de rauwheid. Van wat dat kleine meisje miste. Van hoe diep het alleen zijn in mij zit.
Ik heb vaak gedacht: huil dan toch. Huil, zodat het eruit kan. Soms vergelijk ik het met misselijk zijn en hopen dat je eindelijk kunt overgeven, omdat je denkt dat je daarna opluchting voelt. Ik wil niet alleen weten dat ik verdrietig ben; ik wil dat het kan bewegen. Dat er iets loskomt na al die tijd van dat gewicht dragen.
Maar ik kan het niet afdwingen. Hoe hard ik ook probeer, er komt niet zomaar een huilbui. Soms komen er een paar tranen. Dan voel ik even: ja, hier zit het. Ik voel iets zachts voor mezelf. Ik herken dat kleine meisje. En even later is de deur weer dicht.
Vroeger had ik zo’n moment misschien klein gemaakt: maar een paar tranen, dat telt niet. Nu probeer ik iets anders te zien. Dat ik niet hoef te presteren in mijn verdriet. Niet voor een therapeut, niet voor mijn lezers en ook niet voor mezelf. Huilen zou fijn kunnen zijn als het vanzelf komt, maar het is geen examen waaruit blijkt hoeveel ik werkelijk voel.
Het zware deken verdient aandacht, ook zonder tranen. Het vraagt om zorg, tijd en een tempo dat ik kan dragen. Ik bespreek in therapie dat het zwaarder voelt. Ik hoef niet zo diep mogelijk te graven om aan te tonen dat ik mijn proces serieus neem. Juist wanneer iets al zo lang op me drukt, mag ik kijken wat me helpt om tussendoor weer ademruimte te vinden.
Dat klinkt eenvoudig op papier. In het echte leven wil een deel van mij nog altijd iets oplossen. Eindelijk bij dat kind komen. Eindelijk de tranen. Eindelijk de opluchting. Maar er is een ander deel dat heel helder nee zegt. En misschien moet ik dat nee eerst leren verstaan.
Ze is niet koppig
Ik zie haar voor me. Zo klein. Twee, drie, misschien vier jaar. Ik wil naar haar toe. Ik wil zeggen dat ze niet meer alleen hoeft te zijn. Ik wil haar vasthouden, troosten, beschermen tegen wat ze toen niet kon dragen.
Maar zij wil dat niet.
Niet aanraken. Niet knuffelen. Niet te dichtbij komen. Niet lang naar haar kijken. Niet opeens heel veel aandacht op haar richten. Nee.
Ik noemde haar eerst koppig. Het woord kwam snel, misschien omdat ik zelf gefrustreerd ben wanneer ik haar niet kan bereiken. Ik wil zo graag iets doen. Maar als ik goed kijk, zie ik geen koppig meisje. Ik zie een heel klein kind dat iets heeft geleerd over afstand. Voor wie troost niet vanzelfsprekend vertrouwd voelt. Voor wie zelfs zachte aandacht overweldigend kan zijn.
Ik wil ook hier voorzichtig blijven. Dit meisje is de manier waarop ik in therapie contact maak met een jong, kwetsbaar deel van mezelf. Ik vertel geen letterlijk verslag van wat een driejarige ooit gezegd of gedacht heeft. Het beeld helpt mij voelen wat mijn woorden soms niet kunnen dragen.
Wat ik als volwassene wél herken, is dat ik vroeger ook geen troost wilde wanneer ik verdrietig was. Mensen mochten niet zomaar knuffelen of dicht bij me komen. Ga weg. Kijk niet zo naar me. Vraag niet te veel. Die afweer was echt, ook wanneer ik tegelijk verlangde naar iemand die mij niet helemaal alleen liet.
Dat is pijnlijk om te zien. Want als niemand dichtbij mag komen, blijf ik op die oude plek staan. En tegelijk zou het onrechtvaardig zijn om het kind te verwijten dat ze afstand hield. Een bescherming ontstaat niet omdat een kind de mooiste keuze uitzoekt. Ze ontstaat omdat iets op dat moment draaglijk moet blijven.
De gezonde volwassene in mij is anders dan vroeger. Zij kan nu opmerken: dit is een grens. Zij kan zich afvragen wat dat nee beschermt, zonder het meteen weg te willen halen. Misschien is dat de eerste verandering. Niet dat het kleine meisje ineens in mijn armen springt, maar dat haar nee eindelijk niet wordt weggezet als lastig of overdreven.
Ik wil haar niet winnen. Ik wil haar leren kennen op een afstand die zij aankan.
Als troost te dichtbij is
Stel dat ik met dit meisje in die kamer ben. Mijn eerste impuls is naar haar toe gaan. Een deken om haar heen slaan. Zeggen: kom maar, ik ben er. Het zijn goedbedoelde woorden. Toch merk ik dat ze zich bij die gedachte terugtrekt.
Dus blijf ik waar ik ben.
Ik kan van een afstand denken: ik zie dat je niet wilt dat ik dichterbij kom. Dat hoeft niet. Ik raak je niet aan. Je hoeft niets uit te leggen. Je hoeft zelfs niet naar mij te kijken.
Ik hoef er geen mooie scène van te maken. Geen magisch moment waarop het kleine meisje ontspant en alles goed komt. Dat zou niet eerlijk voelen. Op sommige dagen is zelfs dit beeld te veel en laat ik het gewoon los. Dan kan ik mijn voeten op de grond voelen, om mij heen kijken, iets drinken, of later met mijn therapeut bespreken wat er gebeurde. Ook dat is zorg.
Wat mij raakt, is het idee dat respect voor afstand óók een vorm van nabijheid kan zijn. Dat iemand je grens serieus neemt en niet meteen verdwijnt omdat je nee zegt. Voor het kind in mijn verbeelding betekent dat misschien: er hoeft vandaag helemaal niets te gebeuren. Er is alleen een volwassene die niet binnendringt.
Misschien kijk ik niet rechtstreeks naar haar. Misschien zitten we ieder aan een kant van de kamer. Ik hoef haar niet aan het huilen te krijgen. Ik hoef niet te bewijzen dat ik haar kan troosten. Ik hoef haar zelfs niet dankbaar te maken voor mijn aanwezigheid.
Ik schrijf dit in de ik-vorm, omdat dit de taal is waarmee ik mijn eigen ervaring onderzoek. Het is geen oefening die iedereen op eigen houtje moet doen, zeker niet als zulke beelden je overspoelen. Voor mij hoort het bij een proces dat ik samen met mijn therapeut kan doseren.
Het nieuwe zit misschien in iets heel kleins. Vroeger was er dat kind dat geen toenadering wilde en zich daardoor opnieuw alleen voelde. Nu is er ook een volwassen deel dat kan zeggen: ik hoor je nee. Niet: ik kom toch dichterbij omdat ik weet wat goed voor je is. Niet: dan laat ik je maar voorgoed alleen. Alleen: ik blijf op een afstand die voor jou klopt.
Ik weet niet wanneer ze me ooit toelaat. Misschien werkt groei niet volgens zo’n eindpunt. Voor nu is het al veel dat ik haar afweer begrijp zonder haar daarvoor af te wijzen.
Hoe dat doorwerkt in contact met anderen
Als ik dit vertel, denken mensen misschien dat het alleen gaat over mijn contact met mijn verleden. Maar ik zie het ook terug in alledaagse momenten. Juist daar. In gesprekken, in vriendschappen, in werk, in iemand die me aardig vindt en in iemand die even niet reageert.
Stel: ik vertel iets persoonlijks en de ander vraagt niet door. Er is misschien een heel gewone reden. Die persoon is afgeleid, moe of weet niet goed wat te zeggen. Toch kan er in mij iets opengaan dat niet gewoon zegt: jammer. Het zegt: zie je, je hoeft het niet te vertellen, niemand wil het echt weten.
Of iemand wil me juist troosten. Dan merk ik hoe ik onmiddellijk de neiging heb om het kleiner te maken. Het gaat wel. Laat maar. Ik regel het. Ik kan oprecht blij zijn dat iemand moeite voor me doet en tegelijk voelen dat ik weg wil uit het middelpunt van die aandacht.
Dat kan voor de ander onbegrijpelijk zijn. Soms is het voor mijzelf ook onbegrijpelijk. Ik wil gezien worden. Waarom trek ik me dan terug zodra iemand me ziet? Misschien omdat gezien worden voor mij niet alleen een verlangen is, maar ook een onbekende positie. Er komt iets op me af waar ik vroeger geen veilige maat voor leerde kennen.
In relaties kan dat op verschillende manieren verschijnen. Sommige mensen gaan heel hard hun best doen om gekozen te blijven worden. Anderen houden afstand en zeggen dat ze niemand nodig hebben. Nog anderen bewegen heen en weer tussen die twee. Ik herken hoe sterk ik kan verlangen naar wederkerigheid: iemand die ook vragen aan mij stelt, die werkelijk nieuwsgierig is. Niet omdat één gemiste vraag meteen een veroordeling verdient, maar omdat mijn behoefte om ook gezien te worden zo wezenlijk is.
Het helpt mij om twee dingen tegelijk te onderzoeken. Wat gebeurt er werkelijk tussen mij en de ander? En wat wordt er in mij geraakt? Ik hoef niet elk ongemakkelijk gevoel weg te verklaren als een oud patroon. Soms schiet een relatie echt tekort. Maar ik hoef ook niet uit één kort antwoord af te leiden dat ik voor niemand van betekenis ben.
Dat onderscheid vraagt oefening. Soms kan ik pas achteraf zien dat ik mezelf al had teruggetrokken voordat ik uitsprak wat ik nodig had. Soms merk ik dat ik heel veel ruimte aan een ander geef en mijn eigen verhaal weer inslik. Het kleine meisje heeft geleerd niet te veel te vragen; de volwassene kan langzaam oefenen met een kleine, concrete vraag. Mag ik je iets vertellen? Kun je even luisteren? Ik wil niet dat je het oplost; ik wil dat je er bent.
Misschien krijg ik niet altijd wat ik hoop. Dat blijft kwetsbaar. Maar er ontstaat tenminste een kans dat iemand mij werkelijk ontmoet, in plaats van alleen de versie van mij die niets nodig lijkt te hebben.
Wat anderen soms zeggen
Wanneer je woorden geeft aan emotionele verwaarlozing, krijg je niet altijd de reactie waar je op hoopt. Sommige zinnen zijn misschien vriendelijk bedoeld, maar kunnen hard aankomen.
Maar je had toch een groot gezin? Alsof veel mensen automatisch betekenen dat er iemand naar je gevoel keek.
Je had toch eten en kleren? Ja. Daar ben ik niet blind voor. Maar een kind heeft ook iemand nodig bij wie het met verdriet, angst, verwarring en vreugde terechtkan.
Je moet het verleden loslaten. Ik zou willen dat een besluit genoeg was om een oud gevoel uit mijn lichaam te halen. Soms helpt het mij meer als iemand even luistert naar wat ik probeer te begrijpen.
Je moet gewoon eens goed huilen. Geloof me: als ik het kon regelen, had ik dat allang gedaan. Mijn tranen volgen geen opdracht.
Maar nu zijn er toch mensen die van je houden? Dat kan waar zijn. Liefde in het heden doet ertoe. En toch kan een oud gevoel van alleen zijn nog opduiken, zelfs naast iemand die het goed met me meent.
Misschien herken je ook het tegenovergestelde: iemand die mijn verhaal zo snel wil verklaren dat ik opnieuw niet aan bod kom. Dan krijg ik een etiket, een theorie en een stappenplan, terwijl ik eigenlijk wilde zeggen hoe het was om dat kind te zijn.
Wat helpt dan wel? Iemand die zegt: ik luister. Iemand die vraagt: wil je dat ik bij je blijf, of wil je liever wat ruimte? Iemand die mijn nee niet persoonlijk maakt. Iemand die niet meteen zegt wat mijn jeugd precies geweest moet zijn, maar nieuwsgierig blijft naar wat ik erover weet en wat ik nu voel.
En misschien nog iets: iemand die een afspraak nakomt. Die later nog eens vraagt hoe het gaat. Die niet alleen dichtbij komt in een intens gesprek, maar ook in het gewone leven laat merken: ik ben er. Niet perfect. Niet altijd met de juiste woorden. Wel echt.
Het verdriet om wat niet gebeurde
Rouwen om iets wat er niet was, is vreemd. Je mist geen persoon die je precies kunt aanwijzen op één foto, maar een soort ervaring: gedragen worden, opgemerkt worden, gerustgesteld worden zonder dat je er eerst om moet smeken.
Soms komt daar schaamte bij. Mag ik wel verdriet hebben om wat ontbrak? Andere kinderen hadden het erger. Ik kreeg toch eten. Was ik misschien gewoon te gevoelig? Ik ken hoe snel zo’n gedachten zich tussen mijn gevoel en mijn woorden schuiven.
Maar het verdriet wordt niet minder werkelijk doordat het moeilijk uit te leggen is. Een kind hoeft geen dramatische gebeurtenis mee te maken om zich verlaten te voelen. En ik hoef mijn verhaal niet naast dat van iemand anders te leggen om te bepalen of het telt.
Ik merk dat er ook boosheid kan zitten. Waarom zag niemand hoe verloren ik me voelde? Waarom moest ik mezelf zo vroeg afschermen? Waarom moet ik nu als volwassene leren wat zo vanzelfsprekend had mogen voelen? Niet elke dag kan ik bij die boosheid. Soms is het vooral verdriet. Soms niets. Ook dat mag wisselen.
Er is bovendien verdriet om de tijd die intussen voorbijging. De jaren waarin ik dacht dat mijn eenzaamheid iets zei over mijn waarde. Dat ik gewoon nergens bij paste. Dat ik me anders moest gedragen om een plek te verdienen. Hoeveel keuzes heb ik gemaakt vanuit dat gevoel? Hoe vaak heb ik een behoefte ingeslikt, zodat ik niet opnieuw zou ontdekken dat er niemand op reageerde?
Tegelijk wil ik mijn leven niet reduceren tot het gemis. Ik heb ook liefde gekend. Ik kan plezier voelen. Ik kan nabij zijn, lachen, werken, iets moois maken. Die ervaringen wissen mijn jeugd niet uit. Mijn jeugd hoeft ook niet elk moment van mijn leven te verklaren.
Misschien mag rouw ruimte krijgen zonder het volledige verhaal over te nemen. Ik kan erkennen wat ik miste, nieuwsgierig blijven naar wat mij nú voedt, en telkens opnieuw merken wanneer ik de oude eenzaamheid met me meedraag. Er is geen rechte lijn waarin ik eerst alles begrijp, dan eindelijk huil en daarna nooit meer alleen ben.
Ik zou zo’n lijn soms graag willen. Maar ik ben nog onderweg.
Waarom ik dit schrijf terwijl ik nog onderweg ben
Er is een vraag die me lang heeft achtervolgd. Mag ik met mensen werken rond trauma terwijl ik zelf nog midden in mijn proces zit? Mag ik een zaak opbouwen, anderen begeleiden en voor iemand aanwezig zijn terwijl ik zelf nog tegen dat zware deken aanloop?
Ik heb daar niet licht over nagedacht. Ik weet hoe belangrijk verantwoordelijkheid is wanneer iemand zijn kwetsbaarheid aan je toevertrouwt. Mijn eigen verhaal maakt mij niet automatisch een goede begeleider. Een cliënt is er niet om mijn pijn op te lossen. Ik moet kunnen onderscheiden wat bij mij geraakt wordt en wat van de persoon tegenover mij is. Ik moet mijn grenzen kennen en zelf ondersteuning blijven zoeken.
Maar ik weet ook: ik doe mijn werk goed. Ik blijf leren, ik blijf reflecteren en ik neem mijn verantwoordelijkheid. Ik kan oprecht naast iemand zitten, ook terwijl er in mij nog iets in beweging is. Ik hoef niet aan het einde van mijn eigen verhaal te staan om aandachtig te kunnen zijn bij dat van een ander.
Soms noemen mensen dat ervaringsdeskundigheid. Ik vind het een fucking lelijk woord. Maar ergens klopt het wel. Ik ken sommige plaatsen niet alleen uit boeken. Ik ken het aanpassen, het analyseren, het doen alsof je niets nodig hebt. Ik ken het verlangen om gezien te worden en de neiging om de deur weer dicht te doen als iemand dichtbij komt.
Dat geeft me geen recht om mijn ervaring op een cliënt te plakken. Het helpt me wel om nieuwsgierig te blijven. Om niet te snel te zeggen: je moet gewoon voelen. Om te begrijpen dat een klein nee soms het meest eerlijke is wat iemand op dat moment kan laten zien.
Mijn zaak groeit terwijl ik zelf groei. Soms heb ik veel draagkracht, soms moet ik vertragen. Veerkracht betekent voor mij steeds beter merken wanneer ik werk kan dragen, wanneer ik rust nodig heb en wanneer ik ondersteuning moet vragen. Ik wil geen zaak bouwen op het oude idee dat ik altijd maar moet doorgaan en niemand nodig mag hebben.
Ook in dit schrijven zit die oefening. Ik wil eerlijk vertellen, maar niet alles uit mezelf trekken omdat een persoonlijk verhaal anders niet indrukwekkend genoeg zou zijn. Ik mag kiezen wat ik deel. Ik mag een grens hebben. Het kleine meisje in mij hoeft niet opnieuw tentoongesteld te worden om andere mensen te helpen zich minder alleen te voelen.
Wat mijn gezonde volwassene nu leert
In schematherapie gebruik ik woorden als het kleine meisje en mijn gezonde volwassene. Voor mij zijn dat geen twee aparte personen. Het zijn manieren om te begrijpen wat er in mij gebeurt. Een jong gevoel dat nog steeds kan opspelen. En een volwassen deel dat nu kan kijken, kiezen en verantwoordelijkheid dragen.
Mijn gezonde volwassene heeft lang gedacht dat ze vooral iets moest dóén. Naar dat meisje toe lopen. Haar troosten. Haar laten huilen. Het verdriet wegnemen. Maar hoe meer ik probeer haar te bereiken, hoe duidelijker ze aangeeft dat het te veel is.
Wat als volwassen zorg op dit moment begint met luisteren naar die grens?
Niet eindeloos wegblijven. Niet opgeven. Wel ophouden met binnendringen. Misschien is het allereerste wat dat kind mag ervaren dat haar nee gehoord wordt. Dat zij mag bepalen hoeveel aandacht ze aankan. Dat niemand haar vastpakt omdat troost er volgens een ander zo uit hoort te zien.
Ik oefen ook met mildheid tegenover het deel van mij dat zo graag vooruit wil. Dat wil huilen, verklaren, herstellen, de deken van zich af wil slaan. Dat deel is niet verkeerd. Het is moe van het wachten. Het is een volwassene die dat kleine kind eindelijk iets anders wil geven. Ik hoef ook haar verlangen niet af te wijzen. Ik kan alleen kijken of ik niet uit haast hetzelfde doe waar het kind tegen schrikt: haar tempo overschrijden.
Misschien klinkt dat allemaal heel klein. Zeker wanneer je een jaar of langer met verdriet rondloopt, wil je meer dan een paar zachte zinnen. Ik begrijp dat. Ik voel het zelf. Maar ik merk ook hoe groot het is om op een andere manier met mezelf om te gaan. Om verdriet niet als falen te zien omdat er geen tranen komen. Om een grens niet als koppigheid te benoemen. Om mezelf niet te beschamen omdat ik troost moeilijk kan ontvangen.
En soms is volwassen zorg heel praktisch. Tegen mijn therapeut zeggen dat het deken zwaarder is geworden. Tussen sessies nagaan wat mijn lichaam nodig heeft. Een afspraak niet volplannen als ik merk dat ik al overspoeld ben. Tegen een vertrouwd persoon zeggen dat ik gezelschap wil, zonder verplichting om alles uit te leggen. Dat zijn geen spectaculaire doorbraken. Ze helpen me wel om mezelf in het heden niet opnieuw alleen te laten.
Misschien gaat erbij horen ook zo
Ik heb lang gedacht dat ik ooit een groep zou vinden waarin het gevoel voorgoed verdween. Dan zou ik eindelijk weten: hier hoor ik bij. Misschien bestaat zo’n helder ogenblik. Maar misschien zit erbij horen ook in iets wat ik moet oefenen wanneer dat oude gevoel toch terugkeert.
Kan ik mezelf opmerken terwijl ik tussen mensen ben? Kan ik voelen dat ik me ineens aan het aanpassen ben en mezelf vragen wat ik eigenlijk wilde zeggen? Kan ik één persoon laten weten dat ik stil werd omdat ik me verloren voelde? Kan ik ruimte innemen zonder eerst de garantie te krijgen dat niemand me raar zal vinden?
Dat betekent niet dat ik alle verantwoordelijkheid voor verbinding bij mezelf leg. Mensen moeten mij ook echt ontmoeten. Een relatie waarin alleen ik luister, vraag en afstem, kan nog steeds eenzaam zijn. Ik mag op zoek gaan naar mensen bij wie wederkerigheid voelbaar is. Ik mag merken wanneer ik telkens op een deur klop die dicht blijft.
Maar ik wil ook mijn eigen deur leren herkennen. De deur die ik soms heel snel sluit omdat het onbekend is om met mijn verdriet gezien te worden. Ik kan niet eisen dat het kleine meisje die deur ineens openzet. Ik kan wel als volwassene af en toe een kier laten: een eerlijk antwoord, een kleine vraag, een uitgesproken behoefte.
Als iemand daar goed op reageert, kan ik dat proberen op te merken. Niet meteen om mezelf te overtuigen dat alles veilig is, maar omdat ook zulke momenten bij mijn leven horen. Iemand vroeg door. Iemand bleef. Iemand respecteerde mijn nee. Iemand lachte met mij zonder dat ik iets moest bewijzen.
En als iemand niet goed reageert, doet dat pijn. Toch kan ik dan misschien iets wat ik vroeger niet kon. Ik kan het zien. Ik kan er woorden aan geven. Ik kan steun zoeken en kiezen of deze relatie goed voor mij is. Ik kan verdrietig zijn over wat gebeurt zonder dat het automatisch betekent dat ik, zoals dat kind in die kamer, nergens naartoe kan.
Zo groeit voor mij langzaam een ander soort erbij horen. Niet het perfecte gevoel dat me nooit meer verlaat. Wel de ervaring dat ik niet telkens hoef te verdwijnen zodra het oude alleen zijn opduikt.
Aan het meisje in de kamer
Ik weet niet precies wat er toen allemaal door je heen ging. Ik kan geen zinnen in je mond leggen en ik wil je niet gebruiken om een rond verhaal van mijn leven te maken.
Maar ik zie wel hoe lang je al op die plek staat in mij.
Ik zie dat je niet wilt dat ik je vastpak. Dat je niet wilt dat ik te lang naar je kijk. Dat je niet wilt dat ik zeg dat je moet huilen. Je hoeft mij niets te geven. Geen vertrouwen, geen verhaal, geen traan.
Ik blijf aan de andere kant van de kamer.
Niet als iemand die op het juiste moment zal springen om je te redden. Gewoon als de volwassene die nu kan opmerken dat je er bent. Soms lukt mij dat beter dan op andere dagen. Soms word ik ongeduldig en wil ik dat je eindelijk iets voelt wat ik begrijp. Dan herinner ik mezelf eraan dat jij al zo lang afstand houdt met een reden.
Ik zal niet doen alsof het vanaf vandaag licht is. Het deken is er nog. Ik ben nog in therapie. Er zijn dagen waarop ik me tussen mensen opnieuw verloren voel. Er zijn dagen waarop ik niet weet hoe ik dichterbij moet komen zonder dat jij wegduikt.
Maar ik kan nu iets wat ik vroeger niet kon: ik kan merken dat jij nee zegt en ik kan blijven luisteren.
Misschien is dat het begin. Misschien wordt die kamer niet in één keer warm. Misschien moet ik duizend keer ervaren dat afstand gerespecteerd kan worden voordat ik zelf kan geloven dat nabijheid ook anders kan voelen.
En misschien hoef jij vandaag helemaal niet dichterbij te komen.
Ik ben hier. Ik kom niet dichterbij dan je aankunt.
En ik ga mezelf niet opnieuw achterlaten.